Van Oosten - Niemand kan weer nergens wat aan doen (5)
In dit artikel:
In zijn vijfde column van dit jaar bespreekt Kees van Oosten nieuwe uitspraken van de Raad van State (RvS) in de slepende juridische strijd tussen de gemeente Utrecht en pandeigenaar A. Volgens de auteur zijn de gemeentelijke kosten inmiddels opgelopen tot 8 miljoen euro, zonder dat ambtenaren of bestuurders daarvoor ter verantwoording zijn geroepen.
Een van de zaken gaat over een omgevingsvergunning voor de vernieuwing van de achtergevel van pand A. A vroeg de vergunning op 13 mei 2020 aan. Hoewel de aanvraag in september van dat jaar was behandeld en de vergunning al getekend klaar lag, besloot de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) die toch niet te verlenen. Als reden werd aangevoerd dat A geen belanghebbende zou zijn. De RvS verwierp dat argument in juni 2022 en oordeelde dat de gemeente opnieuw op de aanvraag en het bezwaar moest beslissen.
VTH verklaarde het bezwaar vervolgens opnieuw niet-ontvankelijk. De rechtbank gaf A in augustus 2023 wederom gelijk. Daarna vroeg de gemeente hem binnen twee weken bijna tien rapporten aan te leveren, wat volgens de auteur een onmogelijke eis was. De aanvraag werd daarop voor de derde keer buiten behandeling gesteld. Hoewel de rechtbank de gemeente in augustus 2024 nog gelijk gaf, vernietigde de RvS dat oordeel op 15 juli 2026. De hoogste bestuursrechter bepaalde dat de vergunning al van rechtswege was verleend, omdat de gemeente niet tijdig en rechtmatig had beslist.
De uitspraak kwam volgens Van Oosten te laat om nog praktisch nut te hebben. De gemeente had de achtergevel inmiddels zelf verbouwd, terwijl de alsnog verleende vergunning voorziet in een andere gevel die verder naar achteren komt. A kreeg bovendien een rekening van bijna 300.000 euro voor de verbouwing van een gevel van minder dan vier meter breed.
De tweede zaak betreft een gemeenschappelijke keldermuur tussen pand A en pand B, die richting A was gaan uitbuigen. In januari 2018 kreeg aanvankelijk alleen A opdracht de muur te herstellen, zonder dat de gemeente onderzocht waardoor de schade was ontstaan. Volgens de auteur waren in pand B na 1995 meerdere verbouwingen uitgevoerd, waaronder werkzaamheden in de kelder waarvoor de gemeente vergunning had verleend. Na bezwaar van A kreeg ook eigenaar B een last onder dwangsom. In 2019 werden beide eigenaren vervolgens met bestuursdwang aangeschreven. De gemeente herstelde de muur en plaatste in de kelder van A een stalen constructie om pand B te stabiliseren.
Van Oosten stelt dat de RvS A voor een verdere aantasting van dit handelen naar de civiele rechter verwijst. Hij zet daarnaast vraagtekens bij de technische beoordeling van de muur. De kelderconstructie bestaat volgens de beschreven bouwgeschiedenis uit een oude kloostermoppenmuur aan de kant van A en een later aangebrachte waalstenenmuur aan de kant van B. Die tweede muur zou rond 1885 zijn gebouwd om de zijwaartse druk van het tongewelf en het extra gewicht van verbouwingen in pand B op te vangen. De oude muur was volgens alle betrokkenen zo ver uitgebogen dat deze bouwtechnisch was bezweken.
Toch oordeelde de RvS dat de waalstenenmuur geen dragende functie had. De auteur noemt dat onbegrijpelijk, omdat beide panden zonder die muur volgens hem niet jarenlang overeind hadden kunnen blijven. Hij verwijt de gemeente bovendien dat zij nooit serieus onderzocht of eerdere verbouwingen in pand B de oorzaak van de schade waren. Van Oosten vraagt zich af of de RvS deskundig bouwkundig advies had moeten inwinnen en suggereert dat A de zaak mogelijk aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wil voorleggen.
Vandaag Inside: Jesse Klaver tegen Wilfred Genee In de Wandelgangen: 'Dat ga ik je hier niet zeggen!'