Van Oosten - Niemand kan weer nergens wat aan doen (2)
In dit artikel:
Eigenaar wil snel doorbouwen, gemeente sleept voeten
Op 13 mei 2020 vroeg de eigenaar van een pand in de binnenstad van Utrecht een omgevingsvergunning aan om een nieuwe achtergevel te bouwen; de originele gevel uit 1883 kon geen degelijke fundering dragen. Op 15 september 2020 was er een getekende vergunning klaar om verzonden te worden, maar twee dagen later, op 17 september, kreeg de eigenaar te horen dat zijn aanvraag buiten behandeling was gesteld. Wat zich die twee dagen in het gemeentehuis afspeelde werd niet onderzocht door Berenschot.
De gemeente stelde later dat buren bezwaar hadden gemaakt, maar in de getekende (en onverschoven) vergunning waren die vermeende bezwaren al behandeld en afgewezen. De eigenaar maakte bezwaar tegen het buiten behandeling laten van zijn aanvraag; de gemeente weigerde dit bezwaar te behandelen met het argument dat zo’n beslissing niet voor bezwaar vatbaar zou zijn. De zaak belandde via rechtbanken bij de Raad van State, die op 15 juni 2022 oordeelde dat het bezwaar wél behandeld had moeten worden. Twee jaar na de eerste aanvraag was die strijd nog niet voorbij.
De Raad van State beval de gemeente het bezwaar alsnog te behandelen. De gemeente weigerde vervolgens opnieuw, ditmaal met het argument dat de eigenaar geen belanghebbende zou zijn. Ook dat standpunt werd op 17 augustus 2023 door de rechter verworpen. Inmiddels waren er ruim drie jaar verstreken sinds de aanvraag.
In plaats van de eerder getekende vergunning alsnog uit te sturen, stelde de gemeente op 8 september 2023 de eigenaar voor de keus om binnen 14 dagen een reeks zware technische en juridische onderzoeken aan te leveren: een quickscan flora en fauna, daglichtberekeningen, constructie- en geotechnische gegevens, detailtekeningen van aansluitingen en informatie over erfdienstbaarheden, plus een plan om hinder en onveilige situaties tijdens de bouw te beperken. Voor een particulier een onmogelijke opgave binnen twee weken; bovendien leek die informatie destijds niet nodig te zijn geweest, anders had er niet op 15 september 2020 al een getekende vergunning klaargelegen. Omdat de eigenaar niet aan die termijn kon voldoen, stelde Handhaving de aanvraag opnieuw buiten behandeling.
De auteur trekt daaruit de conclusie dat juristen van Handhaving, VTH en Juridische Zaken ernstig juridisch tekortschieten en mogelijk systematisch tegenwerken om te voorkomen dat hun eerdere fouten erkenning krijgen. Door de procedurehobbels en extra eisen bij de eigenaar neer te leggen, vervaagt de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en blijft de schuld van de vertraging bij de indiener hangen. Een dossier met de getekende vergunning dook later in een andere rechtszaak op.
Het verhaal loopt nog door: na het opnieuw buiten behandeling stellen besloot Handhaving dat de gemeente de achtergevel op kosten van de eigenaar zou laten herstellen — daarover volgt een volgende column. De casus illustreert hoe langdurige bestuurlijke en juridische besluitvorming een bouwproject jaren kan blokkeren en hoe procedurele keuzes de uitkomst kunnen beïnvloeden, met aanzienlijke gevolgen voor de rechtspositie en lasten van een individuele eigenaar.