Utrecht kiest definitief voor aansluiting bij gemeenschappelijk warmtebedrijf HVC
In dit artikel:
De gemeente Utrecht wil aandeelhouder worden van HVC, het collectieve warmte- en afvalbedrijf dat eigendom is van 52 gemeenten en 8 waterschappen. Het college van GroenLinks-wethouders Senna Maatoug en Lot van Hooijdonk legt dat voorstel binnenkort aan de gemeenteraad; het definitieve besluit valt in de raadsvergadering van 26 februari, vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen. In een commissiedebat bleek een ruime meerderheid positief, maar er is ook stevige kritiek en juridische tegenstand.
Waarom HVC? Utrecht wil van het aardgas af en versneld collectieve stadswarmtenetten aanleggen. Na vastgelopen onderhandelingen met Eneco onderzocht het college drie opties: een eigen gemeentelijk warmtebedrijf (te duur en lastig uitvoerbaar), deelname aan een regionaal warmtebedrijf, of aansluiting bij HVC. Het college concludeerde dat deelname aan HVC het meest praktisch is. HVC wordt volgens Maatoug het publieke warmtebedrijf van de stad en neemt vanaf 2029 ook een deel van de afvalverwerking (restafval en GFT) over; de inzameling blijft een gemeentelijke taak. Nieuwegein besloot al unaniem Utrecht te volgen.
Tegenstand komt vooral van afvalverwerker AVR en enkele raadsfracties. AVR stelt dat HVC duurder zou zijn en liet juridisch onderzoek doen naar de vraag of de gemeente afvalverwerking aan een publiek bedrijf mag toevertrouwen. Kritiekpunt is dat een publiek bedrijf niet te veel met commerciële partijen zou mogen concurreren. Oppositiepartij UtrechtNu! en CDA vragen om meer zorgvuldigheid en verwijzen naar geheimhouding rond dossierstukken. Jasper de Jong, commercieel directeur van AVR, kondigde aan serieus te overwegen naar de rechter te stappen.
Het college houdt vol dat een onafhankelijk onderzoek aantoont dat HVC’s verwerkingskosten vergelijkbaar en stabieler zijn dan marktpartijen, en dat Utrecht eventueel ook deels kan deelnemen in het regionale warmtebedrijf. De discussie draait nu om juridische houdbaarheid, transparantie en de snelheid van besluitvorming vóór de verkiezingen.