Taams - D.E.M.G.S.T. (36)
In dit artikel:
Raymond Taams schrijft dat hij steeds meer waarde hecht aan letterlijk Utrechtse grond en zelfs precies weet wanneer hij de stad binnenreed: op zondag 19 april 2026 rond half zeven ’s avonds, toen hij vanuit De Bilt met de auto de gemeentegrens passeerde en een blauw bord met UTRECHT zag. Nu zit hij op een betonnen bank bij het stadhuis, tegenover terrasgasten van café De Zaak en met af en toe een urinegeur in de neus; de tegels zijn droog, en hij stelt vast dat hij bijna zeventien etmalen onafgebroken binnen Utrecht verblijft.
Die fysieke verbondenheid roept een retorische vraag op of hij zijn bloed voor die bodem zou geven, maar hij antwoordt resoluut nee: bij een conflict zou hij vluchten naar zijn geboortestad Amsterdam of waar zijn Burgerservicenummer hem toeliet. Taams verwijst sceptisch naar ideeën van bloed-en-grond-nationalisme en haalt een observatie van Michel Houellebecq aan dat Nederland meer op een bedrijf lijkt dan op een land. Zijn conclusie is ironisch: we zijn te individualistisch voor fascistische sentimenten—lokale trots leeft naast alledaagse consumentenzorgen. Dat beeld illustreert hij met alledaagse details (bonuskaart, kinderen die naar hockey moeten, bol.com-pakketten, een telefoontje van de Toyota-garage), waarmee hij laat zien dat hartstocht voor “Utrechtse bodem” samengaat met pragmatisme en huishoudelijke beslommeringen.