Taams - D.E.M.G.S.T (27)
In dit artikel:
Raymond Taams zit op de eerste maandag van maart 2026 met een kop koffie in de tuin van een vriendin nabij de singel in Utrecht. Onder een strakblauwe hemel wordt de omgeving overstemd door bouwlawaai: boorinstallaties, zaagmachines en arbeiders in oranje hesjes die de straatstenen gladleggen. Net als hij een slok neemt gaat het luchtalarm af—de gebruikelijke maandelijks test om twaalf uur—en een felrode kater klaimt behendig over de schutting om op een schuurdak uit te rusten.
De constatering van die hectiek roept bij hem een beeld op van hedendaagse verslaggeving: de onophoudelijke opeenvolging van prikkels die reflectie bemoeilijken. Gejaagd door geluid en cafeïne zoekt hij een schrift om zittend in de verweerde fauteuil aantekeningen te maken, deels uit werkdrift en deels om buren te laten zien dat hij niet lui is. Tegelijkertijd brengen de geluiden gevoelige overpeinzingen teweeg: herinneringen aan zijn ouders, al lang overleden, en een existentiële vraag hoeveel maandagen hem nog resten.
Het stukje schildert zo het samenspel van stedelijke rumoer, sociale verwachtingen en persoonlijke sterfelijkheid—een kleine, scherpe observatie over het tempo van het leven.