Specialistische zorg piept en kraakt: wachttijden tot een jaar in regio Utrecht
In dit artikel:
In de provincie Utrecht nemen wachttijden voor specialistische zorg toe, met name voor maag-, darm- en leverziekten (MDL). NZa-cijfers over meerdere meetmomenten tussen januari en 26 mei 2026 laten zien dat sommige patiënten maanden tot ruim een jaar moeten wachten op een eerste poliklinische afspraak.
Wat en waar: bij Meander Medisch Centrum in Amersfoort staat de wachttijd voor de MDL-poli op 365 dagen. Het St. Antonius Ziekenhuis kende begin dit jaar voor een deel van de MDL-patiënten ook wachttijden die naar ruim een jaar opliepen; die zijn voor een deel teruggebracht (van 388 naar 245 dagen) na herbeoordeling van verwijzingen. Ook in UMC Utrecht en het Diakonessenhuis stijgen wachttijden: in het UMC liepen sommige gespecialiseerde kindertrajecten, bijvoorbeeld kindercardiologie, deze voorjaar op tot ongeveer 55 dagen; bij het Diakonessenhuis wachten patiënten voor pijnbehandeling, reumatologie, algemene chirurgie en spataderzorg soms 50–150 dagen.
Wie krijgt voorrang: ziekenhuizen geven voorrang aan urgente en hoogrisico-patiënten. Meander en St. Antonius zeggen dat acute gevallen sneller worden gezien en dat verwijzingen medisch worden beoordeeld om urgentie vast te stellen. Patiënten met niet-urgente, chronische klachten moeten vaker langer wachten.
Waarom: meerdere oorzaken stapelen zich op. Vergrijzing, meer vroege opsporing via screeningsprogramma’s en toenemende verwijzingen vergroten de zorgvraag, terwijl het aantal MDL-specialisten en ondersteunend personeel niet evenredig groeit. Meander wijst daarnaast op landelijke afspraken tussen overheid, zorgverzekeraars en ziekenhuizen die de omvang van zorguitbreiding beperken. MDL Fonds-directeur Mariël Croon waarschuwt dat de lange wachttijden ernstige gevolgen hebben voor patiëntenlevens — “Patiënten met ernstige buikpijn, darmproblemen of chronische ontstekingen kunnen daar dagelijks enorm onder lijden” — en noemt te weinig opleidingsplaatsen en de tijdsintensieve triage van verwijzingen als belangrijke knelpunten.
Gevolgen en reacties: ziekenhuizen benadrukken dat NZa-cijfers momentopnames zijn en niet altijd het volledige beeld van geleverde gespecialiseerde zorg tonen; complexe ingrepen en spoedzorg zijn soms moeilijk terug te zien in registraties. Waar Treeknormen (binnen vier weken) worden overschreden, kunnen patiënten wachttijdbemiddeling via hun zorgverzekeraar aanvragen; sommige ziekenhuizen wijzen daar actief op of adviseren verwijzers naar andere aanbieders als de wachttijd onacceptabel is.
Maatregelen: instellingen proberen wachttijden te verkleinen met digitale consulten, betere organisatie, samenwerking met andere zorgaanbieders en uitbreiding van capaciteit. Meander voert het ‘less is more’-project uit om onnodige onderzoeken en behandelingen terug te dringen en zo ruimte te maken voor zwaardere gevallen. Toch verwacht het ziekenhuis dat het nog enkele jaren kan duren voordat wachttijden substantieel dalen.
Achtergrond: de NZa publiceert wachttijdcijfers tweewekelijks; de gepresenteerde cijfers geven een indicatie van aanhoudende druk op sommige afdelingen, maar kunnen per meetmoment variëren door schommelingen in instroom en beschikbare capaciteit.