P.G. Spee herdacht bij ereveld St. Barbara

maandag, 4 mei 2026 (14:08) - Nieuws030

In dit artikel:

Op 4 mei sprak Willem Spee bij de herdenking op het ereveld van begraafplaats St. Barbara (Prinsesselaan). Bij de plechtigheid waren onder anderen loco-burgemeester Voortman en kardinaal Eijk aanwezig. Spee herinnerde aan zijn grootvader Petrus Gerardus (P.G.) Spee, wiens naam op de gedenksteen van de Katholieke Arbeidersbond staat, en vertelde hoe die persoonlijke geschiedenis verweven is met het grotere verhaal van vervolging en verzet in Utrecht tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Spee situeert de gebeurtenissen lokaal: de Joodse familie Rechter — Oostenrijkse vluchtelingen Mechel, Esther en zoon Bernard — woonde sinds de jaren twintig in de Frans Halsstraat; zijn grootvader woonde in de Gildstraat. Uit recent familieonderzoek voor een door Spee geschreven boek bleek dat zijn opa al in de jaren twintig en dertig actief was in sociale kwesties en de katholieke sociale leer verdedigde. Die overtuigingen, meent Spee, leidden ertoe dat zijn grootvader medio 1943 de familie Rechter in huis nam, ondanks de geringe ruimte en het grote gevaar.

Spee schetst de context van die periode: rond midden 1943 was meer dan de helft van de joodse bevolking al gedeporteerd. Utrecht stond onder strakke controle — met lokale samenwerking van NSB- en politiefunctionarissen — en er waren praktijken waarbij mensen werden aangemoedigd om onderduikers te verbergen om die vervolgens voor beloning te verraden. Van de Rechters werden Mechel (45), Esther (43) en Bernard (16) in 1943 gedeporteerd; allen stierven kort daarna in vernietigingskampen. Hun namen staan op het Joods monument bij het Spoorwegmuseum; vanaf Maliebaanstation werden 1.600 Joodse Utrechters gedeporteerd, ruim 1.200 keerden nooit terug.

P.G. Spee werd gearresteerd — volgens Spee door politiepresident Kerlen — en naar het Oranjehotel in Scheveningen gebracht. Later zat hij in kamp Vught waar hij bij het Philips-commando werkte; dat bood relatief betere omstandigheden. In 1944 werd hij met velen naar Dachau gedeporteerd en tewerkgesteld in een subkamp bij de Messerschmitt-fabriek. In februari 1945 overleed hij, waarschijnlijk door uitputting en verzwakking.

Spee reflecteert op het stilzwijgen in zijn eigen gezin na de oorlog — de aandacht ging destijds naar Indië en de wederopbouw — en op de morele betekenis van zijn opa’s handelen. Hij noemt hem geen heroïsch figuur in grootse zin, maar een gewone man die onder extreme omstandigheden het juiste deed. De toespraak verbindt persoonlijke herinnering met historische feiten en benadrukt zowel de moed van helpers als de wreedheid van verraad tijdens de bezetting.