Meeste Utrechtse gemeenten lopen achter met huizen voor statushouders
In dit artikel:
In de provincie Utrecht lopen de meeste gemeenten achter met het huisvesten van vluchtelingen met een verblijfsvergunning (statushouders). Een analyse van ANP op basis van maandcijfers van het ministerie van Binnenlandse Zaken laat zien dat vooral Amersfoort en Utrecht grote tekorten hebben. Gemeenten hebben tot 1 juli de tijd om te voldoen aan de taakstelling voor het eerste halfjaar van 2026; het kabinet bepaalt elke zes maanden hoeveel mensen elke gemeente moet opnemen.
Landelijk moeten nog 12.049 statushouders een woning krijgen, waardoor plekken in al volle asielzoekerscentra (azc’s) blijven bezet. Dat vergroot de druk op locaties zoals Ter Apel. Ongeveer een kwart van de azc-bewoners — circa 19.000 mensen — zijn statushouders die eigenlijk door gemeenten gehuisvest zouden moeten worden.
Specifiek in de provincie: Amersfoort staat er het slechtst voor met 90 gehuisveste statushouders terwijl de doelstelling 365 is vóór 1 juli. De gemeente Utrecht huisvestte 254 mensen tegenover een target van 473. Stichtse Vecht heeft 38 gehuisveste statushouders bij een taakstelling van 172. Daartegenover staan gemeenten als De Ronde Venen, Woerden, Woudenberg en Veenendaal die hun doelen wel halen of overschrijden.
Het tekort heeft meerdere oorzaken: structureel lukt het gemeenten al jaren niet de afgesproken aantallen te halen en sommige houden zich niet aan de spreidingswet die opvang over gemeenten verdeelt. Dat leidt tot het opzetten van noodlocaties en tot lokale weerstand — in IJsselstein escaleerde dat zelfs met vernieling van het stadhuis.
Provinciebesturen hebben de taak toezicht te houden en kunnen ingrijpen wanneer gemeenten herhaaldelijk falen. Als voorbeeld stelt de provincie Zuid-Holland dat zij in april 2027 in vier gemeenten zelf statushouders kan plaatsen als die gemeenten dan nog steeds niet genoeg woningen regelen.