Eline werd achtervolgd tijdens hardlopen: 'Ik wil gewoon veilig naar huis kunnen'
In dit artikel:
Ze was midden op de dag aan het hardlopen op een drukke plek in Utrecht toen twee jongens op een fiets haar nageroepen en bespuugd hebben. De 23‑jarige Eline deed aangifte en vertelt dat dergelijke opmerkingen en intimidatie meerdere keren per week voorkomen; sinds het incident voelt ze zich “super onveilig” en past ze routenetwerk en gedrag aan om zichzelf te beschermen.
Landelijke cijfers tonen dat veel jonge vrouwen veiligheidszorgen hebben: uit CBS‑data blijkt dat bijna de helft van de jonge vrouwen wel eens van route verandert of iets anders doet om zich veiliger te voelen. In de eerste helft van 2025 werden ongeveer 8.000 meldingen van seksuele misdrijven gedaan — circa 1.100 meer dan in dezelfde periode een jaar eerder — al waarschuwt de politie dat niet duidelijk is of dit door een stijging van feiten komt of door meer meldbereidheid.
RTV Utrecht vroeg alle 26 gemeenten in de provincie welke concrete stappen ze nemen tegen straatintimidatie en onveiligheid van vrouwen. De uitkomst laat grote verschillen zien: sommige gemeentes hebben gerichte programma’s, andere betrekken het onderwerp bij algemeen veiligheidsbeleid of zeggen dat er te weinig meldingen zijn voor een apart plan.
Utrecht en Amersfoort voeren expliciet beleid tegen straatintimidatie. Utrecht meldde tot 1 november vorig jaar 398 meldingen van straatintimidatie (tegenover 193 in 2024) en heeft een Aanpak Straatintimidatie, een boa‑pilot voor handhaving op seksuele intimidatie en een aparte aanpak tegen femicide. Er worden ‘schouwen’ met vrouwen gehouden om onveilige plekken in kaart te brengen, verlichting wordt aangepast en in Park Lepelenburg is extra toezicht en cameratoezicht ingezet. Amersfoort zet in op campagnes om omstanders te laten ingrijpen, trainingen voor horecapersoneel en handhavers, projecten voor jongeren en activiteiten om geweld tegen vrouwen bespreekbaar te maken.
Andere gemeenten zoals Nieuwegein, Houten, Stichtse Vecht, IJsselstein en Zeist werken integraal aan het thema: meldpunten, onderzoek naar onveilige routes, manifesten en bijeenkomsten met inwoners komen voor. Kleinere gemeenten noemen vaak weinig meldingen als reden om geen apart actieplan op te zetten; Veenendaal noemde wel concrete cijfers (46 geregistreerde incidenten in vijf jaar).
Onderzoeker Tamar Fischer (Erasmus Universiteit) ziet meerwaarde in ‘schouwen met vrouwen’ omdat hun zicht op risico’s afwijkt van die van beleidsmakers, maar waarschuwt ook dat veiligheid nooit volledig te garanderen is en mede afhangt van gedragingen van mensen en omstanders. Eline pleit bovendien voor meer aanspreken binnen vriendengroepen: mannen zouden elkaar vaker moeten corrigeren.
Veel respondenten hopen dat de aandacht leidt tot verbetering, maar ervaringsverhalen zoals die van Eline illustreren dat de verandering op straat voor veel vrouwen nog niet voelbaar is.