Dichter Baban Kirkuki laat met taal bloemen bloeien in dor leven
In dit artikel:
“Ik stop alles in poëzie”: dat is de rode draad in het werk van Baban Kirkuki, een van oorsprong Koerdische dichter en schrijver die opgroeide in Kirkuk (Noord-Irak) en sinds 1999 in Utrecht woont. In een gesprek schetst hij hoe persoonlijke en collectieve ervaringen — liefde, afstand, afscheid en dood — in zijn gedichten gelijkwaardig optreden; voor hem bestaat er geen grote of kleine pijn.
Baban’s jeugd werd bepaald door het oorlogsgeweld. Vanaf zijn zesde brak de oorlog tussen Irak en Iran uit (1980–1988) en Kirkuk, als oliestad, werd regelmatig gebombardeerd. Hij herinnert zich sirenes, onderduiken in schoolkelders en de voortdurende angst die ook de vogels uit de lucht leek te jagen. Tegelijkertijd vormden zijn ouders een beschermende binnenwereld; zij stimuleerden zijn opleiding en wekten zijn liefde voor taal. Een oom speelde daarbij een belangrijke rol door Koerdische poëzie mondeling door te geven, wat hem leerde hoe woorden de werkelijkheid kunnen veranderen.
Als Koerd kon hij destijds niet in zijn moedertaal studeren; Baban volgde Arabische taal- en letterkundelessen en publiceerde vroeg werk in kranten en literaire tijdschriften. Onder het repressieve regime van Saddam Hoessein was directe kritiek gevaarlijk, dus ontwikkelde hij een beeldrijke, omweggevende poëtische stijl. Toen staatsdienaren hem probeerden in te zetten voor propagandistische teksten en de vrijheid steeds verder werd ingeperkt na opvolgende oorlogen, zag hij blijven geen veilige optie meer en vertrok hij uit Irak.
Na een lange reis door Europa vestigde hij zich in Nederland. Hij leerde Nederlands grotendeels autodidactisch — onder andere met Arabisch-Nederlandse woordenboeken die hij kocht van weekgeld in het AZC — rondde later vwo af en volgde een tolkopleiding. In Utrecht bouwde hij een nieuw leven op: hij vond de liefde, kreeg twee dochters en publiceerde vier Nederlandstalige dichtbundels: Op weg naar Ararat (2006), Lontananza (2009), Territorium (2011) — waarvoor hij het CCS Crone Stipendium kreeg — en Licht onbekend (2013).
Artistiek bevindt zijn poëzie zich tussen Oost en West: hij combineert de klassiekere, directe manier van het Midden-Oosten met westerse associatieve elementen. Veel terugkerende motieven zijn weemoed — een litteken van Koerdistan — en hoop: volharding, ontdekken en doorgaan. In Utrecht is hij actief als stadsdichter, geeft poëzieworkshops op scholen, treedt op bij festivals en is vertegenwoordigd in het poëzielint langs de Oudegracht. Zijn werk blijft geworteld in de ervaring van ontheemding en tegelijkertijd in de zoektocht naar nieuwe vormen van thuiszijn.