Celstraf voor IJsselsteiner die 'op hol geslagen machinegeweer' op politie richtte
In dit artikel:
In IJsselstein leidde protest tegen de komst van een noodopvang voor ongeveer 150 vluchtelingen eind april tot meerdere ongeregeldheden en brandstichting; de brandweer moest vaker uitrukken en er werd veel vuurwerk afgestoken. In de nacht van 2 op 3 mei escaleerde het: een groep relschoppers bekogelde politieagenten met zwaar vuurwerk en beschadigde het stadhuis en het theater.
Twee mannen die bij die ongeregeldheden aanwezig waren, stonden terecht: de 20-jarige R.H. en de 40-jarige A. van D. R.H. — die op zijn verjaardag in de stad was — gaf toe vuurwerk te hebben aangestoken en richting politie te hebben geschoten; op camerabeelden is te zien dat hij een zwaar stuk vuurwerk afsteekt en vervolgens naar agenten loopt. Een agent liep gehoorschade op, anderen liepen lichte verwondingen of brandplekjes. R.H. zei spijt te hebben en dat hij “niet nadacht”.
Van D. erkende dat hij een Romeinse kaars bij zich had, maar ontkende die gericht te hebben afgestoken; op beelden is te zien dat hij een kaars bij een boom plaatst. Hij nam tijdens het protest ook zijn 12‑jarige zoon mee naar het plein. De officier van justitie stelde dat Van D. een grotere rol speelde dan hij toegaf en dat er bewijs was van contact tussen hem en R.H., en eiste tegen beide mannen tien maanden cel (waarvan deels voorwaardelijk) plus schadevergoedingen voor de politie.
De rechter legde uiteindelijk een lagere straf op: R.H. krijgt vijf maanden gevangenisstraf waarvan twee voorwaardelijk omdat bewezen werd dat hij agenten ernstig wilde mishandelen, maar niet dat hij ze in levensgevaar bracht. Van D. werd vrijgesproken; hoewel hij vuurwerk had meegenomen en volgens getuigen had aangezet, vond de rechtbank onvoldoende bewijs dat hij het had willen inzetten om agenten te verwonden.