Cees van Gemerts Tour van 1926 (4)
In dit artikel:
De 70-jarige Cees van Gemert fietst momenteel twee etappes uit de monsterlijke Tour van 1926 dwars door Normandië en ligt daarbij zichtbaar voor op zijn eigen schema. Hij volgt een rittenschema van 70 fiets‑dagen met 18 rustdagen en wil de route van toen — een ronde die in totaal 5.754 km telde — herbeleven. In die editie won Félix Sellier op 26 juni 1926 de rit Duinkerken–Le Havre (361 km) en Adelin Benoît pakte op 28 juni de zege in Le Havre–Cherbourg (357 km).
De week begon na een onwel voelen in Lille, maar Van Gemert vervolgde in Duinkerken. Op de route naar Boulogne-sur-Mer kreeg hij zware tegenwind (tot 40–50 km vol tegen) en enkele hellinkjes voor de kiezen; onderweg zag hij bij Duinkerken ook een vluchtelingenkamp langs de weg en ervoer hij hinder van talrijke campers en motorhomes. Na zo’n zes uur fietsen klokte hij een gemiddeldesnelheid van circa 15 km/uur en merkte hij de troosteloosheid van sommige kustplaatsen op.
Het weer bleef wisselvallig. Maandag kenmerkte zich door regen, wind en zonneschijn; dinsdag gooide windkracht 4–5 BFT plus stevige regenbuien roet in het eten, waardoor hij die dag niet verder kwam dan Dieppe. Zijn mobiel was leeg maar kon in de havenstad worden opgeladen; de zon brak door en hij schreef dat hij in Dieppe “simpelweg dolgelukkig” was. Woensdag moest hij met windkracht 5–6 BFT elke meter bevochten naar Fécamp en haalde hij slechts een gemiddelde van iets boven de 13 km/uur. Donderdag nam de wind af en op de rechteroever van de Seine kon hij flink doortrappen richting Rouen, waarna een flinke slotklim naar zijn chambre d'hôte wachtte.
Vrijdag volgde de linkeroever naar het pittoreske Honfleur, waar veel toeristen en circa 200 campers het straatbeeld bepaalden. De Pont de Normandie bestond in 1926 nog niet, dus zijn route weerspiegelde het historische tracé. Zaterdag bracht hem langs de Normandische kust en de D-Day‑locaties: Caen en Bayeux tonen de Tweede Wereldoorlog als toeristische attractie, met overal herdenkingssymbolen — onder meer de iconische parachutist John Steele in Sainte‑Mère‑Église en exhibits als Dead Man’s Corner — iets wat Van Gemert opmerkte als sterke commercialisering van de herinnering.
Tussen de etappes door kwam een grappig moment: toen presentator van de regionale omroep live over wielrennen sprak, vertelde hij terloops over Van Gemerts onderneming; Van Gemert hoorde die passage later terug vanaf zijn hotelbed in Bayeux. In Cherbourg, waar hij in het Hôtel d'Angleterre verbleef, typeerde hij de laatste etappe als aangenaam tot pittig door kleine heuveltjes en slechte wegdekken, maar hij arriveerde vroeg en blijkt opgewekter dan aan het begin van de week.
Alles bij elkaar blijft Van Gemert vastberaden: hij heeft al een dag ingehaald en wil met volle moed naar Granville en vervolgens Bretagne. Zijn tocht combineert historische navolging van de loodzware etappes van 1926 met hedendaagse uitdagingen zoals slecht weer, druk toeristisch verkeer en de commerciële exploitatie van oorlogserfenis.