Binnendijk - Utregdikkies (11)
In dit artikel:
Dik Binnendijk, die in 1967 biologie ging studeren in Utrecht en twee jaar later naar de stad verhuisde, beschrijft in deze aflevering van zijn serie Utregdikkies persoonlijke herinneringen aan de Oude Hortus — de voormalige Botanische Tuinen tussen het Universiteitsmuseum (UMU) aan de Lange Nieuwstraat en de Nieuwegracht. In zijn studententijd was de hortus vrij toegankelijk op werkdagen en fungeerde die voor veel fietsende studenten als kortste route naar het Botanisch Laboratorium; de tuin diende meer als doorgang dan als plek voor rustige wandelingen.
Sporadisch bezocht Binnendijk de hortus voor practica, met name Plantenfysiologie. Daar herinnerde hij zich vooral de imposante Victoria amazonica in de kas: een reuzenwaterlelie met bladeren van circa twee meter breed en een draagvermogen tot veertig kilo, waarvan elke bloem slechts twee nachten bloeit (eerste nacht wit met ananasgeur, tweede nacht roze). Hij herinnert zich ook het zoeken naar salamanders bij de vijver en hoe die waterpartijen later helemaal dichtgroeiden toen de wetenschappelijke functies van de hortus naar de Uithof verhuisden.
Die verhuizing begon al in 1963 en was in 1987 afgerond; daarna verloor de Oude Hortus zijn academische functie, raakte in verval en werd deels als parkeerterrein gebruikt. De buurt protesteerde. Vanaf 1991 voorkwam de Stichting Vrienden van de Oude Hortus verdere verloedering, en met de vestiging van het Universiteitsmuseum in het oude Botlab in 1996 ging de tuin aan een tweede leven beginnen. Restauratiewerk maakte auto’s en fietsen weer uit het terrein weg, vijvers werden uitgegraven en er verschenen opnieuw salamanders. De kassen uit 1907 kregen in 2007 een grondige renovatie en herbergden opnieuw planten zoals de reuzenwaterlelie — mogelijk nakomelingen van de oude collectie.
Binnendijk maakt ook aandachtig verslag van bijzondere bomen: twee kaal geworden Ginkgo biloba’s die al eeuwen in de hortus staan. De oudste is ongeveer 270 jaar oud en is een van de oudste ginkgo’s buiten Japan; op twintig meter hoogte is er in de negentiende eeuw een tak van een vrouwelijke boom op geënt, waardoor in de herfst distinctieve bladkleuring te zien is. De tweede ginkgo is circa 150 jaar oud.
Een ander verhaal gaat over een kweepeer die in 1990 van het terrein van het oude Farmaceutische Laboratorium aan de Catharijnesingel is verplaatst om plaats te maken voor nieuwbouw (nu het kantoor van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit). Na een korte inlooppersiode draagt de boom sindsdien jaarlijks grote, peervormige vruchten die rauw ongeschikt zijn om te eten maar prima te verwerken zijn tot gelei en jam; een rijpe kweepeer ruikt zelfs zoet. Binnendijk kreeg een foto van de boom te zien en stuurde die naar zijn vriend Peter — die hem corrigeerde: “De kweepeer is helemaal geen perenboom, maar behoort tot de rozenfamilie.” Die correctie illustreert hoe ook de auteur zelf nog dingen bijleert over de stedelijke natuur die hij lange tijd bijna achteloos passeerde.