Van Militaire Willems-Orde tot waardering voor je werk: hoe is de lintjesregen ontstaan?
In dit artikel:
Vrijdagochtend ontvangen in de provincie Utrecht weer tientallen inwoners uit handen van hun burgemeester een koninklijke onderscheiding — voor veel ontvangers een onverwachte verrassing. Tijdens de landelijke lintjesregen worden mensen geëerd die zich langdurig en betekenisvol inzetten voor buurt, vereniging of beroepsveld; het gaat dit jaar om duizenden onderscheidingen in Nederland en vorig jaar waren dat er 277 in Utrecht.
De traditie gaat meer dan twee eeuwen terug. In 1815 startte Koning Willem I de eerste ridderorde (de Militaire Willems-Orde) voor uitzonderlijke dapperheid in oorlogstijd; later ontstonden ook civiele onderscheidingen. In 1892 werd door koningin Emma de Orde van Oranje-Nassau ingesteld om burgers te belonen die zich bijzonder voor de samenleving hebben ingezet. Na de Tweede Wereldoorlog verschoof de aandacht duidelijk naar vrijwilligers en gewone burgers, waardoor de lintjesregen uitgroeide tot een gelegenheid waarop vrijwilligers, bestuurders en professionals gezamenlijk erkenning krijgen.
De Orde van Oranje-Nassau kent zes rangen. De hoogste graad, Ridder Grootkruis, komt vrijwel nooit voor bij burgers (recent voorbeeld: oud-Eurocommissaris Neelie Kroes; ook aartsbisschop Adrianus Simonis ontving deze titel bij zijn afscheid). Grootofficier en Commandeur zijn eveneens zeldzaam en vaak voor mensen met uitgesproken nationale of internationale betekenis. De rang Officier wordt iets vaker toegekend — in Utrecht kregen vorig jaar onder anderen Marjan Wijers (lange inzet voor sekswerkers en mensenhandel-slachtoffers) en Patricia Osseweijer (internationaal werk in biotechnologie en waterbeheer) deze onderscheiding. De meeste kandidaten vallen in de lagere rangen: Ridder (regionale betekenis) en Lid (de grootste groep, vaak lokale vrijwilligers).
Een onderscheiding vraag je niet zelf aan; iemand anders doet de voordracht via de gemeente van woonplaats. Aanvragen moeten ruim van tevoren binnen zijn en worden door gemeente en provincie onderzocht, waarna de Kanselarij der Nederlandse Orden en uiteindelijk de koning beslissen. Ontvangers kunnen een onderscheiding weigeren; nabestaanden mogen een postume onderscheiding houden — deze blijft persoonlijk en is niet bedoeld om door te geven of te verkopen.