'7 mei meest bewogen dag in recente historie Utrecht'
In dit artikel:
Donderdagavond 7 mei werd bij het Polar Bears‑monument in het Hogelandsepark herdacht dat Utrecht op 7 mei 1945 werd bevrijd. Loco‑burgemeester Linda Voortman legde een krans en historicus en journalist Ad van Liempt gaf een toespraak waarin hij die dag reconstructeerde en de gemengde gevoelens rond de bevrijding belichtte.
Van Liempt benadrukte dat de feitelijke capitulatie en de intocht van bevrijders in Nederland niet op 5 maar op 7 mei gebeurde: de Duitse capitulatie werd door de geallieerden pas op 7 mei in Nederland praktisch uitgevoerd. In Utrecht reed een kleine voorhoede van het Engelse 49e Infanterie‑divisie, de zogeheten Polar Bears, via de Biltstraat de stad binnen; de Canadezen, die het grootste deel van de bevrijding in oost‑ en noord‑Nederland op zich hadden genomen, volgden massaler op 8 mei. De Canadese leiding liet soms andere geallieerde troepen de eer delen, bijvoorbeeld door de Polar Bears en zelfs de Prinses Irene Brigade prominenter te laten optreden.
De intocht ging gepaard met uitzinnige vreugde, maar die intense opluchting was niet alleen feestvreugde. In de stad heerste nog ernstige schaarste: naar schatting had al bijna duizend Utrechters het hongerlijden niet overleefd en veel mensen wachtten op voedselhulp die door bureaucratie vertraagd werd. Ook de terugkeer van talloze gedeporteerde mannen — onder wie de circa 5.500 die bij de grote razzia van 7 oktober 1944 waren opgepakt — droeg sterk bij aan de emotionele uitbarstingen.
Symbolisch werd de herwonnen vrijheid voelbaar toen burgemeester Gerard ter Pelkwijk, die in 1942 was gevlucht en later terugkeerde, op het bordes van het Stadhuis verscheen en de kerkklokken van de Dom na jaren weer begonnen te luiden. De meeste kerkklokken waren tijdens de oorlog weggehaald om te worden omgesmolten (ongeveer 6.700 in Nederland), maar de zeven klokken van de Dom waren onaangeroerd gebleven en konden nu na het verwijderen van stutten weer geluid worden — een moment dat veel Utrechters als het ultieme teken van vrijheid ervaarden.
Tegelijk tekende zich die dag een diepe tragedie af: bij het Rosarium werden verzetsmensen die bezig waren collaborateurs te arresteren betrokken in een vuurgevecht met Duitse militairen. Twaalf verzetslieden waren op pad, tien van hen werden gedood nadat ze Duitse soldaten probeerden te ontwapenen — iets wat de geallieerde bevelhebbers (generaal Foulkes) hadden verboden en wat mede door slechte communicatie leidde tot fatale confrontaties. Zulke incidenten kwamen in de dagen rond de capitulatie vaker voor; in West‑Nederland vielen volgens reconstructies rond de 200 doden bij soortgelijke schietpartijen ná de capitulatie, onder zowel Nederlanders als Duitsers.
Later die middag verzamelde een grote katholieke menigte zich op de Maliebaan om aartsbisschop Jan de Jong te eren. De Jong had tijdens de bezetting publiekelijk positie gekozen tegen de Duitse maatregelen, het verzet ondersteund en joodse kinderen beschermd; zijn ontvangst illustreerde de uiteenlopende manieren waarop mensen hun bevrijding markeerden.
Van Liempt sloot af met de constatering dat 7 mei 1945 in Utrecht een dag van uitersten was: dolle vreugde en diepe opluchting, naast rouw en blijvende schaduwen van geweld. Het is volgens hem terecht en belangrijk dat de stad jaarlijks bij die dag stilstaat.